Bernard Fokke

Een kort verhaal over de piraat Bernard Fokke

“Het eerste wat ik me kan herinneren van de zee is het geluid.

Scheepslui die vechtend, lachend en schreeuwend langs de haven liepen, vrolijk en een beetje intimiderend. Bevelen van de Kapitein, die zo luid waren dat zelfs de knechtjes aan de andere kant van de schepen ze nog konden horen.

Vrouwen die een praatje probeerde –en meestal ook slaagde- te maken met een  van de schippers, met een beetje geluk zelfs een officier of, beter nog, een kapitein. Hun schaterlach klonk hard en nep in mijn oren maar de toch al dronken bemanning leek dit niet door te hebben, of misschien kon het hun gewoon niets schelen.

Daarnaast waren de vertrouwde geluiden van een markt achter ons te horen. Kooplieden die hun goederen aanprezen en ze ze zo hard mogelijk aankondigden; Vis Verse vis! En het dagelijkse geroezemoes van de roddelende dienstmeisjes.

Nu zou je misschien niet denken dat deze geluiden vreemd waren. En eigenlijk waren ze dat ook niet, in elke stad waar ik ooit was geweest klonk het altijd hetzelfde, het enige wat hier verschillend was, en wat deze plaats zo anders en zo boeiend maakte was een zacht geruis.

Een constant geruis dat zich op de achtergrond van dit alles afspeelde. Het geluid was anders dan alles wat ik in mijn hele leven ooit gehoord had. Ik heb mensen horen zeggen dat het hetzelfde klinkt wanneer je een grote gedraaide schelp tegen je oor aan houdt, maar ik heb dat geprobeerd en dit geruis was absoluut niets zoals dat. Nee het geluid was dieper, ruiger, gevaarlijker.

Een dreiging die altijd bij je was, de enige manier waarop ze waarschuwde het geruis.

En ik vond het fantastisch.

De eerste keer dat ik de zee zag was niet veel later dan de eerste keer dat ik de zee hoorde. Mijn vader had me immers meegenomen op zijn tocht naar een van zijn handelscontacten, die pas was aangekomen op zijn schip; “De Veroveraar.”

 Hetwas de bedoeling dat ik mijn vader in de gaten zou houden, bij de onderhandelingen zou zijn, zou opletten. Maar ik was geobsedeerd door de zee. Nog voor mijn vader ook maar iets had kunnen zeggen was ik al vooruit gerend. Door de smalle straatjes en langs de kwebbelde dienstmeisjes, door de dronken zeemannen naar de zee.

Grappig genoeg was de eerste keer dat ik de zee zag niet het beste moment van mijn leven, zoals je misschien zou verwachten. In feite weet ik er niet meer zoveel van. Het laatste wat ik me herinner was het glinsterende water en de zon die erop scheen en toen werd alles zwart.

De houten spaanders waren nat, het had hard gewaaid de vorige dag en de zee was wild geweest. Ik struikelde over een rondslingerend touw, gleed uit en landde recht in het water.

Tja wat toen gebeurde is een beetje wazig, ik hoorde later dat een van de officieren me achterna was gesprongen. Vernielde zijn uniform. Maar het schijnt dat hij mijn vaders geld voor een nieuw uniform niet wilde aannemen. De man was verdwenen voordat ik hem kon bedanken.

Misschien had ik sinds die dag bij het water weg moeten blijven, misschien had ik bang voor het water moeten zijn, zoals elk ander kind in zo’n situatie, maar ik kon het gewoon niet laten.

De zee deed dingen met me,  ik voelde me alsof ik alles aan kon, alsof ik in mijn eentje de zee op kon varen, haar bedwingen, alsof ik onoverwinnelijk was.

Tuurlijk was dit onzin, de zee gaf mij geen speciale krachten, maar zo voelde het wel.

Dus bleef ik naar de scheepswerf gaan. Dus bleef ik naar de zee staren.

De eerste dag dat ik terugkwam hadden de zeelieden die me de vorige dag in het water hadden zien vallen me met gemengde –hoewel dronken- gevoelens aangestaard. Sommige hadden naar me  gejoeld, me uitgelachen en me belachelijk gemaakt. Anderen hadden verbazing op hun gezicht en een enkeling had afkeer op hun gezicht gehad.

Niet dat dat me tegen had gehouden.

Iedere dag kwam ik terug totdat ik uiteindelijk sommige zeemannen leerde kennen, die waren alweer bezig met het klaarmaken van hun schip voor een lange reis naar Indië.

Zo had je bijvoorbeeld Pieter, die door iedereen Eénbeen  werd genoemd. Hij had dan ook maar éen been… en één arm… en één oog… het was nog steeds een mysterie hoe hij precies al zijn ledematen was verloren. Hoewel het verhaal gaat dat hij zijn oog verloor nadat hij een haak aan zijn arm had gekregen, en zijn eigen oog had uitgestoken na wat jeuk aan zijn wenkbrouw…”

“nou alweer één van je mooie verhaaltjes aan het vertellen, Bernard?” Ik kijk op in het lelijke eenogige gezicht van Eénbeen.  Ik gaf hem een boze blik.

“Moet dit nu? Ik ben bezig.” Eénbeen grijnst. Een paar gelige tandjes komen tevoorschijn.

“Als jij onzinnige verhaaltjes beter vindt dan een Spaans goederenschip… tja, dan moeten we al die goudstukken maar aan ons voorbij laten gaan…  kapitein.”

Met een ruk sta ik op en recht ik mijn schouders. “Stuurboord of bakboord?”

“Stuurboord. Op ongeveer een kilometer afstand, zwaar. We kunnen haar inhalen.”

Ik gijns nu ook.

Het ziet ernaar uit dat het toch nog een interessante dag gaat worden.

Het leven als piraat is zo slecht nog niet als. Denk ik terwijl ik mijn cabine uit kom en voor het roer ga staan en de bevelen begin te schreeuwen.

Maar het leven als kapitein Bernard Fokke… Ja, dat is toch wel het beste van de zee.

The End

0 comments about this story Feed